cognitieve psychologie oefententamen B 1. Rule-based theorieen over concepten stelt dat concepten pas dan worden geleerd wanneer er een achterliggende regelmaat wordt gevonden. Daarentegen stelt de exemplar theorie dat elk voorbeeld van een concept de definitie ervan beinvloed, en dat de afstanden van elke eigenschap tot die van de reeds bekende examplars bepalen of iets als voorbeeld van een concept herkent zullen woorden. Het verschil tussen deze benaderingen kan bekeken worden door aan te tonen of er wel of niet sprake is van hypothese-vormend leren; dwz. in het geval van regelgebaseerde concepten zal het beoordelen aanvankelijk moet succes op kansniveau liggen; plots zal daarna het concept gevormd zijn en zal er structureel succes worden behaald. Volgens de exemplar theorie zal het categoriseren veel geleidelijker verlopen, en dat is af te lezen aan de geleidelijk beter wordende resultaten. 2. Ten eerste is er het Poverty of the Stimulis argument (POS). Deze luidt ongeveer als volgt: 1: kinderen worden niet gepresenteerd met incorrecte input; dat is, in ieder geval niet met de informatie van incorrectheid meegegeven. 2: kinderen worden amper gecorrigeerd. 3: kinderen leren taal. ------- conclusie: kinderen beschikken over aangeboren informatie, waardoor ze ondanks genoemde premissen toch taal kunnen leren. Dan is er nog een circulair argument: mensen leren taal, en andere dieren niet -- er moet dus iets fundamenteel anders zijn aan mensen, te weten aangeboren capaciteit tot taal. 3. Het essentiele verschil tussen plaatjesachtige en woordachtige representaties is dat er spatiele informatie in plaatjes zit verwerkt waardoor sommige taken makkelijker zijn uit te voeren dan met woordachtige representaties. Ook is er verschil te meten tussen verschillende handelingen, bijvoorbeeld naargelang de afstand tussen de punten in een gegeven opdracht. Een mogelijk argument van Pylyshyn is dat mensen alles van onze ervaringen kunnen representeren, maar niet alles zou met plaatjes te representeren zijn (bijv. abstractheid). 4. Het einde van het sensori-motor stadium wordt ingeluid door het begin van de ontwikkeling van taalvaardigheid. Dit wordt hoofdzakelijk gemeten door kinderen te laten spelen, waarbij kan worden waargenomen dat kinderen objecten kunnen sorteren op basis van een enkele eigenschap. 5. Ten eerste verloopt de ontwikkeling niet altijd zo geleidelijk en gestaag als Piaget's theorie zou voorspellen. Er kunnen vertragen en gaten in zitten. Ten tweede is zijn theorie domein-generiek, terwijl andere theorieen juist domein-specifiek zijn en beweren dat niet alle vaardigheden zich even snel ontwikkelen (denk aan wiskunde, logica, taal etc.) 6. Experts hebben een efficientere representatie van het probleem in het domein. Een goede schaker kan bijvoorbeeld verschillende schaakspellen tegelijk spelen, soms zelfs blind. Verder bezitten experts meer parate kennis dan beginners. 7. Alles de gehele dataset direct wordt gepresenteerd, dan wordt er geen taal geleerd. Pas wanneer de data in steeds moeilijker wordende stukken wordt gepresenteerd, wordt de taal geleidelijk geleerd. 8. Bij expert schakers is de 'chunk size' groter dan bij beginners. Hierdoor kunnen expert schakers meer opslaan in hun korte-termijngeheugen. [...]