\documentclass[10pt,a4paper,portrait]{article}
\usepackage[pdftex]{graphicx}
\usepackage{vmargin}
\usepackage{url}
\setpapersize{A4}

\begin{document}

\begin{center}
Cognitieve Psychologie, 2007 \\
0440949 Andreas van Cranenburgh \\
{\em Sep 15 12:19:38 CEST 2007}
\end{center}

%Opdracht: 17 september 11u00
%1) Over het algemeen is het herkennen van items gemakkelijker dan het herinneren van items. Tulving en collega's vonden in hun onderzoek de omgekeerde bevinding. Hoe kan dit worden verklaard?

\abstract{ }

\section{Retrieval}

\subsection{Herinneren en herkennen}
Herinneringen worden opgehaald door middel van `cues.' Hoe meer en hoe beter deze {\em cues} zijn, des te sneller wordt een herinnering opgehaald.

Als binnen een experiment een lijst moet worden geleerd, dan blijkt een herkenningstaak (kruis aan welke woorden in de lijst stonden) vaak beter te scoren dan een vrije herinneringstaak (noem alle worden uit de lijst). Dit komt omdat bij de herkenningstaak een sterke {\em cue} beschikbaar is: het woord dat herinnerd moest worden.

Bij het experiment van Tulving et al is dit omgekeerd. Hierbij moeten er woordparen geleerd worden en werkt de vrije herinneringstaak juist beter dan de herkenningstaak.

Bij de vrije herinneringstaak kregen proefpersonen het eerste woord uit een woordpaar gepresenteerd, bij de herkenningstaak werd alleen het tweede woord gepresenteerd; hierbij kunnen de woorden in de aangeboden lijst juist interferentie veroorzaken. Bijvoorbeeld als `zwart' herkend moet worden maar er staat ook `wit' en `bruin.' In het geval de vrije herkenning kan er gebruik worden gemaakt van het geleerde verband tussen de woorden in het woordpaar.

%2) Bekijk de figuren 8.13 en 8.14. Geef een beschrijving van de methode van de onderzoeken en de resultaten die worden weergegeven door de twee figuren.
\subsection{Impliciete herinneringen}
Figuur 8.13 uit Anderson toont en experiment naar impliciete herinneringen. De twee lijnen staan voor prestaties onder volle aandacht en tijdens afleiding.  De afleiding houdt in dat er gelijktijdig naar een opname geluisterd moet worden, lettende op een bepaalde cijferreeks.

Het opvallende resultaat hiervan is dat blijkt dat woorden waarvan juist is aangegeven dat ze niet onthouden hoeven te worden beter onthouden worden door proefpersonen die worden afgeleid. Hierbij zijn er dus impliciete herinneringen aangemaakt. Er kan dus geconcludeerd worden dat impliciet geheugen lost staat van aandacht.

Figuur 8.14 uit Anderson toont een onderzoek waarbij het verschil in mate van verwerking wordt bekeken. Er worden drie niveaus onderscheiden: zonder context, met context en genereren. Vervolgens worden proefpersonen zowel op expliciet als op impliciet geheugen getest. Dit gebeurd respectievelijk door het woord aan te wijzen in een lijst en door het woord in een korte flits van 40 miliseconden te presenteren.

Wat blijkt is dat naarmate er meer semantische verwerking plaatsvindt (context danwel genereren) scoren proefpersonen minder goed bij het perceptueel indentificeren; bij het herkennen wordt er juist beter gescoord. Hieruit is dus te concluderen dat de mate van verwerking alleen het expliciete geheugen bevoordeeld.

\subsection{Bronnen}
1995 Anderson, Learning and Memory. \\

\end{document}
