\documentclass[12pt,a4paper,portrait]{article}
\usepackage[pdftex]{graphicx}
\usepackage{fullpage}
\usepackage{url}
%\setpapersize{A4}
\usepackage[dutch]{babel}

\begin{document}

\begin{center}
Cognitieve Psychologie, 2007 \\
0440949 Andreas van Cranenburgh \\
{\em Sat Nov 10 19:00:17 CET 2007}
\end{center}

%\abstract{ }

\section{Taal}
%Opdracht: 12 november 11u00
%Lees hoofdstuk 9 van Sternberg.
%1) Geef een Nederlandse vertaling en een omschrijving van alle vetgedrukte begrippen in de paragraaf over fundamentele aspecten van taal (p. 315-318). Doe ook de opdracht die staat bij 'investigating cognitive psychology' op p. 318.
%2) Wordt het leren van taal bepaald door 'nature' of 'nurture'? Licht je antwoord toe.

\subsection{Enkele begrippen}
\begin{description}
\item[verbal comprehension]
Verbaal begrip. Het vermogen geschreven en gesproken taal te begrijpen.
\item[verbal fluency]
Verbale vloeiendheid. Het vermogen taal te produceren, gesproken en geschreven.
\item[phoneme]
Foneem. De kleinste spraakeenheid die onderscheid kan maken in een woord.
\item[morpheme]
Morfeem. Betekenisdragende eenheid waaruit woorden zijn samengesteld volgens bepaalde regels (morfologie)
\item[content morpheme]
Inhoudsmorfeem. De morfemenen die de meeste betekenis dragen.
\item[function morpheme]
Functie morpheem. Morfeem die grammaticale of andersoortige nuance weergeeft (cf. grammeme) 
\item[vocabulary]
Vocabulaire. De verzameling woorden van een taal of spreker.
\item[noun phrase]
Zinsdeel met een zelfstandig naamwoord.
\item[verb phrase]
Zinsdeel met een werkwoord en soms naamwoordelijk deel van het gezegde.
\item[semantics]
Semantiek. Betekenis van woorden in zinsverband.
\item[discourse]
Pragmatiek. Betekenis van uitspraken in de context van een groter geheel (tekst, voordracht, gesprek).
\end{description}

\subsection{Opdrachtje}
Noun phrases:\\
\\
the round, red ball on the corner: ja \\
and the: nee \\
round and red: ja \\
the ball: ja \\
 \\
Verb phrases:\\
\\
the boy bounced the ball: nee \\
and the bouncing ball: nee \\
rolled: ja \\
ran across the room: ja \\
gave her the ball: ja \\
runs quickly: ja

\subsection{Nature en nurture aspecten van taal}
Het leren van taal wordt bepaald door zowel `nature' als `nurture.' Ten eerste door `nature' omdat voor het leren van taal de benodigde gesteldheid aanwezig moet zijn, Zo zijn er de fysieke organen, om te kunnen horen en spreken, en verder de {\em mental faculty} om taal te begrijpen.

Aan de andere kant bepaalt de plek waar je opgroeit geheel {\em welke} taal je leert, deze kan dus niet ergens in de genen zitten. Verder ben ik van mening dat talen te verschillend zijn om voorafbepaald aanwezig te zijn in onze natuur. Zo zijn er inflectionele, agglutinerende en analytische talen. Deze zijn allen fundamenteel verschillend qua woordopbouw. Het is vooral in de link tussen woord en betekenis die door de generatieve grammatica een ondergeschikte rol krijgt toegespeelt; het gaat louter om regels, vaak zelfs formele.

Tijdens het tweedejaars project hebben drie medestudenten en ik een computationeel model gemaakt van het \'e\'en- en tweewoord stadium, volgens de principes van een constructieve grammatica. Dat wil zeggen dat woorden hun betekenis krijgen door het gebruik dat wordt waargenomen, zonder enige vooraf gegeven grammatica.

\subsection{Bronnen}
1999, Sternberg, Robert. Cognitive Psychology 2nd edition. \\
2007, 2e jaarsproject: Language Acquisition \url{https://unstable.nl/andreas/ai/2p/laac/verslag.pdf}

\end{document}
